loading

Deze website maakt gebruik van Cookies

De stad van Bosch

  • image by WebDog

's-Hertogenbosch
Omstreeks de geboorte van Jheronimus Bosch (ca. 1450) had de stad 's-Hertogenbosch bijna de omvang bereikt die zij tot het einde van de 19e eeuw zou behouden. De stad, op het einde van 12e eeuw door de Brabantse hertogen van stadsrechten voorzien, vertoonde zich met haar muren, poorten, torens als een imposante en met name militair belangrijke vestingstad aan de rand van het Hertogdom Brabant. De huizen binnen de stadsmuren werden voornamelijk nog steeds in hout gebouwd. Dit had grote gevolgen bij branden zoals de grote stadsbrand van 1463. Met deze laatste ervaring nam het stadsbestuur initiatieven om door subsidiëring de verstening te bevorderen. Ofschoon de stad niet, zoals de meeste Brabantse steden, een rijke hofcultuur kende (er was geen hertogelijk paleis), werd de stad regelmatig bezocht door de landsheren en -vrouwen met hun gevolg. In 1481 riep Maximiliaan van Oostenrijk te 's-Hertogenbosch het veertiende kapittel van het Gulden Vlies bijeen.

Met een inwonertal van ruim 14.000 personen in het midden van de 15e eeuw tot zo'n 16.000 omstreeks 1515 was 's-Hertogenbosch de zevende in de rij van grootste steden in de Nederlanden. Plaatsen als o.a. Antwerpen, Brussel en, in het noorden, Utrecht, gingen haar voor. Door privileges (voorrechten) en de ligging aan water- en landwegen begunstigd, bloeide de handel. Hoewel de textielfabricage (laken) de belangrijkste tak van nijverheid was, stond de stad ook bekend om de hier werkzame orgelbouwers, klokkengieters en drukkers en door de vervaardiging van messen, spijkers en spelden. Er bestonden uitgebreide handelscontacten met zowel Noord-Europa als Italië. Op het Deense eiland Schonen had de stad een eigen handelsnederzetting. De vele handwerklieden waren verenigd in achttien ambachtsgilden (verenigingen van beroepsbeoefenaren).

De stad vormde een middelpunt van religieus leven; omstreeks 1500 had een vijftiental kloosterorden een vestiging in 's-Hertogenbosch. De stad telde een veertigtal kerken en kapellen en stond bekend als 'Cleijn Rome'. De aan de kloosterorden verbonden scholen trokken ook studenten van elders. Eén van de bekendste is ongetwijfeld Desiderius Erasmus die van 1485 tot en met 1487 de Latijnse school bezocht. De humanist Georgius Macropedius gaf vanaf 1502 les op deze school.

Behalve de vele kloosters trok ook met name de spectaculaire bouw van de Sint-Janskerk, de gotische kerk die langzaam verrees in het hart van de stad, de aandacht. Bosch maakte begin noch voltooiing mee maar was op verschillende manieren betrokken bij de bouw en met name de inrichting. De bouw inspireerde beeldende kunstenaars en componisten die met opdrachten naar de stad werden gelokt of zich er vrijelijk vestigden. Bekend zijn onder anderen Alart Duhameel, Adriaan van Wesel, Pierre de la Rue en Jan Darkennis.

Het geloof kwam onder andere tot uiting in de Mariaverering rondom het beeld dat op het einde van de 14e eeuw werd gevonden en dat, blijkens optekeningen in het "Mirakelboek", wonderen verrichtte. Ter ere van Maria werden jaarlijks feestelijke en devotionele "ommegangen" gehouden. De in 1318 opgerichte Illustre Lieve Vrouwe Broederschap speelde hierbij een grote rol.

De rijkdom van de stad trok uiteraard ook armen en gebrekkigen. Voor hen werden door godvruchtige inwoners gasthuizen gesticht en bedelingen ingesteld. Op het einde van Bosch' leven telde de stad zo'n 25 van deze instellingen waarvan er acht in zijn tijd werden opgericht.

Behalve dat de stad bij tijd en wijle geteisterd werd door ziekten, epidemieën zoals pest en cholera, vormden de invallen van Gelderse troepen die vanaf het einde van de 15e eeuw de omgeving van de stad met hun strooptochten onveilig maakten, toch de grootste bedreiging. Bovendien ging de stad In het laatste kwart van de 15e eeuw als gevolg van de zware hertogelijke belastingen gebukt onder een schuldenlast. Dit leidde tot spanningen met de landsheer.